Wanneer liefde vermenigvuldigd

Het verhaal van Noam

Printervriendelijke versieSend by email

Zodra ik de lift binnenkwam, wist ik waar ik heen moest. Op de knop van de vijfde verdieping zat een felgele sticker. Dat helpt Noam om te weten op welke knop hij moet drukken. In zijn eenvoudig ingerichte huis is er niets veranderd. Hij voelt en schuifelt verder om zijn weg te vinden in zijn eigen huis. Als we binnenkomen, draait hij zijn hoofd in de richting van het geluid. "Hoe gaat het met je?" vragen we en somber vertelt hij ons over zijn recente bezoek aan de dokter. Hij had geprobeerd Noam te verzekeren: "Alles is goed". Maar Noam weet het echte antwoord: "Alles is goed, betekent dat ik niet meer kan zien en dat het niet beter zal worden."

Met het kleine pensioen dat hij krijgt kan hij nauwelijks rondkomen, dus neem ik elke week een tas vol boodschappen mee. Ik laat hem alles zien en hij ‘ziet’ het door het met zijn handen aan te raken. “We kunnen dit doen dankzij trouwe donateurs”, zeg ik tegen hem. “Gewoon een klein gebaar”, zeg ik hem. Hij heft zijn hoofd op. "Zeg dat niet", zegt hij. Dan begint hij zijn verhaal te vertellen. “Toen ik een jonge jongen was, woonde ik met mijn ouders in een Shtetl (een klein dorp met een meerderheid van Joodse inwoners). Op een dag in Oekraïne werd ons onze vrijheid ontnomen. Onze synagoge ging ondergronds; de joodse mannen kwamen in het geheim bijeen om samen de gebeden op te zeggen. Elke dag brachten we 10 kleine munten mee, ons dagelijkse geschenk. We waren niet rijk. Dit kleine bedrag was alles wat we konden meenemen. Aan het eind van het jaar werden de munten geteld en na een jaar was het uitgegroeid tot een mooi bedrag dat onder de armen in de gemeenschap werd verdeeld. Dus dank alstublieft alle gevers voor mij en moge de Eeuwige hen zegenen!"

Ik denk na over zijn woorden. Geven, ook al heb je heel weinig, maakt rijk. Noam zegt dat de Torah hem leven heeft gegeven. Zijn voorouders waren volgelingen van de Thora en zijn grootvader was de voorzanger in de synagoge. Toen hij op 70-jarige leeftijd in Israël aankwam, waren er veel moeilijkheden. Noam werkte hard tot hij 82 jaar oud was. Zijn geliefde vrouw stierf na 60 jaar huwelijk en zijn twee kinderen wonen met hun gezinnen buiten Israël. Hij voelt zich vaak zo eenzaam, maar hij heeft er geen spijt van dat hij Aliyah gemaakt heeft. Hij zegt dat hij vrijheid heeft gevonden in Israël.

Ons bezoek maakt hem blij. Als ik wegga, stelt hij altijd dezelfde vraag: “Kom je snel weer? Ik wacht op jou."